De menselijke hersenfunctie staat niet vast; het ondergaat gedurende het hele leven aanzienlijke veranderingen. Recent onderzoek suggereert dat de ‘bedrading’ van de hersenen dramatisch verandert op vier belangrijke leeftijden: 9, 32, 66 en 83 jaar. Deze keerpunten hebben invloed op de cognitieve vaardigheden, van het vroege leren tot de achteruitgang in het latere leven.
De vier fasen van hersenbedrading
Onderzoekers analyseerden MRI-scans van bijna 3.800 mensen in Groot-Brittannië en de VS (voornamelijk blanke deelnemers) om deze veranderingen in kaart te brengen. Bij de studie werden personen met reeds bestaande neurodegeneratieve of geestelijke gezondheidsproblemen uitgesloten, waardoor de focus op de typische hersenontwikkeling werd verzekerd. De resultaten onthulden vijf verschillende fasen van hersenbedrading, gescheiden door de kritische leeftijdspunten.
Fase 1: Geboorte tot 9 jaar – Verbindingen uitbreiden
Vanaf de geboorte tot de leeftijd van negen ontwikkelen de hersenen langere, complexere witte stofbanen. Deze kanalen zijn routes voor informatie-uitwisseling tussen hersengebieden. De grotere lengte maakt deze verbindingen echter minder efficiënt ; het duurt langer voordat signalen reizen. Deze vroege expansie kan het gevolg zijn van het feit dat de hersenen veel verbindingen creëren om snel leren mogelijk te maken, en ongebruikte verbindingen later wegsnoeien.
Fase 2: Leeftijd 9 tot 32 – Stroomlijning van de efficiëntie
Tussen de leeftijd van negen en tweeëndertig keert de hersenbedrading om. Verbindingen worden korter en efficiënter, waarschijnlijk veroorzaakt door hormonale veranderingen tijdens de puberteit. Deze stroomlijning ondersteunt de ontwikkeling van vaardigheden zoals planning, besluitvorming en een verbeterd werkgeheugen. Het brein geeft prioriteit aan snelheid boven brede connectiviteit, waardoor de prestaties voor complexe taken worden geoptimaliseerd.
Fase 3: Leeftijd 32 tot 66 jaar – Geleidelijke afname van de efficiëntie
In de langste fase, van tweeëndertig naar zesenzestig, zien we een terugkeer naar langzamere verbindingen. Er vinden weliswaar veranderingen plaats, maar deze zijn minder dramatisch dan in eerdere stadia. Leefstijlfactoren (zoals het krijgen van kinderen of het vinden van een carrière) kunnen bijdragen aan deze verschuiving, maar het kan ook een natuurlijk gevolg zijn van het ouder worden. De algehele slijtage van het lichaam speelt waarschijnlijk ook een rol.
Fase 4: Leeftijd 66 tot 83 – Regionale stabiliteit, verhoogd risico
Vanaf de leeftijd van zesenzestig tot drieëntachtig jaar worden verbindingen binnen hersengebieden stabieler, terwijl verbindingen tussen gebieden zwakker worden. Dit kan samenvallen met een verhoogd risico op neurodegeneratieve ziekten zoals dementie. Het brein lijkt middelen te consolideren en prioriteit te geven aan lokale verbindingen boven langeafstandscommunicatie.
Fase 5: Leeftijd 83 tot 90 – Hub-afhankelijkheid en verzwakkende verbindingen
In de laatste fase blijven de verbindingen tussen hersengebieden verzwakken, waarbij ze meer afhankelijk zijn van ‘hub’-regio’s die als centrale verbindingspunten dienen. Dit duidt op beperkte middelen, waardoor de hersenen gedwongen worden de resterende routes te optimaliseren.
Waarom deze bevindingen belangrijk zijn
Deze ontdekkingen helpen verklaren waarom geestelijke gezondheidsproblemen vaak vóór de leeftijd van vijfentwintig jaar ontstaan en waarom het risico op dementie scherp stijgt na vijfenzestig jaar. Het begrijpen van deze normale keerpunten zou kunnen helpen bij het identificeren van afwijkingen in de hersenstructuur die verband houden met mentale en neurodegeneratieve aandoeningen. Door de oorzaken van deze afwijkingen (omgevingsfactoren, chemicaliën, enz.) op te sporen, kunnen gerichte behandelingen mogelijk worden, waaronder therapie, beleidswijzigingen of de ontwikkeling van medicijnen.
Er zijn echter verdere studies nodig om deze bevindingen bij verschillende populaties te bevestigen. Het huidige onderzoek richt zich primair op blanke deelnemers, dus bredere studies zijn cruciaal om generaliseerbaarheid te garanderen.
Deze bevindingen onderstrepen de dynamische aard van de hersenen gedurende de hele levensduur, en benadrukken de kritische keerpunten die de cognitieve functie en de kwetsbaarheid voor leeftijdsgerelateerde achteruitgang bepalen.
